Om artikelen te kunnen downloaden heb je een account en abonnement nodig.
Om artikelen op te slaan heb je een account en abonnement nodig
Om artikelen op te slaan heb je een account en abonnement nodig
Dysexecutive versus amnesic phenotypes of very mild Alzheimer's disease are associated with distinct clinical, genetic and cortical thinning characteristics
Samenvatting
De ziekte van Alzheimer wordt vooral geassocieerd met geheugenstoornissen. In zowel de NINCDS-ARDA als de DSM-criteria staan deze op de voorgrond; voor de diagnose dient er sprake te zijn van geheugenstoornissen en daarnaast stoornissen in minstens een ander cognitief domein. Het is echter al langer bekend dat het klinische beeld bij patiënten met een beginnende Alzheimer erg kan verschillen en dat bij sommige patiënten disexecutieve stoornissen zich sterker manifesteren dan geheugenstoornissen. De auteurs vroegen zich af of het mogelijk was verschillende klinische subgroepen te onderscheiden die behalve wat betreft cognitief functioneren ook pathofysiologisch en genetisch van elkaar zouden verschillen. Wat het laatste betreft wordt dan gekeken naar het APOE-genotype; het hebben van het APOE-ε4-allel gaat gepaard met een hoger risico op het krijgen van de ziekte.
Bradford, C., Dickerson, B.C., Wolk, D.A., the Alzheimer's Disease Neuroimaging Initiative (2011).
Dysexecutive versus amnesic phenotypes of very mild Alzheimer's disease are associated with distinct clinical, genetic and cortical thinning characteristics.
Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 82, 45-51.
De onderzoekers namen in eerste instantie bij een groep van honderd patiënten met beginnende alzheimer een uitgebreide testbatterij af. Twee tests werden gebruikt om de groepen te onderscheiden; de Trailmakingtest B, gecorrigeerd voor A, als executieve maat, en een woordrecognitietaak (uit de Alzheimer Disease Assement Scale) als geheugenmaat. Z-scores werden bepaald op grond van data van gezonde controles, en vervolgens werden patiënten die een executieve score behaalden die twee standaarddeviaties of meer onder de geheugenscore zat als 'executief predominant' gekwalificeerd, en patiënten waarbij het omgekeerde het geval was als 'geheugen predominant'. Omdat dit kleine groepjes van respectievelijk 27 en 12 patiënten opleverde, werd vervolgens in een groep van 395 MCI-patiënten verder gezocht naar patiënten met dit profiel; dit leverde nog 61 executief predominante en 44 geheugenpredominante patiënten op. In beide groepen (AD en MCI) werden geen verschillen gevonden tussen de subgroepjes wat betreft leeftijd, opleiding, geslacht en score op de MMSE. Omdat het cognitieve profiel van de AD- en MCI-groepen nauwelijks verschilde werden beide samengevoegd tot respectievelijk 88 executief predominante en 56 geheugenpredominante patiënten. De profielen werden 'geijkt' door middel van andere taken voor executief functioneren (problem solving), waarop de executief predominante groep inderdaad slechter presteerde, en geheugentests, waarop de geheugenpredominante groep zoals verwacht slechter presteerde. Er werden vervolgens duidelijke verschillen op andere maten gevonden; in de geheugenpredominante groep kwam het APOE-ε4-allel significant meer voor dan in de executief predominante groep. Daarentegen was er sprake van een significant dunnere frontopariëtale cortex bij de executief predominante groep. De auteurs concluderen dat een disexecutief klinisch fenotype van AD niet bepaald zeldzaam is, gekenmerkt wordt door slechte executieve en probleemoplossende vaardigheden en mogelijk gepaard gaat met een snellere ziekteprogressie dan het amnestische fenotype. Bovendien zou deze executief predominante groep een kwalitatief ander pathofysiologisch substraat hebben, mogelijk gerelateerd aan hun genetische status. Hoewel het om een oudere patiëntengroep ging (gemiddeld 75 jaar oud) rijst toch de vraag in hoeverre zich mogelijk beginnende FTD-patiënten in de disexecutieve subgroep bevonden. De auteurs gaan hier niet op in.