Om artikelen te kunnen downloaden heb je een account en abonnement nodig.
Om artikelen op te slaan heb je een account en abonnement nodig
Om artikelen op te slaan heb je een account en abonnement nodig
Cognitive dysfunction: At the crossroads of glucose metabolism and vascular function
Samenvatting
Geijselaars, opgeleid tot arts in Maastricht en nu werkzaam in Den Bosch, beschrijft in zijn dissertatie zijn onderzoek naar twee kandidaatfactoren die het ontstaan van cognitieve stoornissen bij diabetes zouden kunnen verklaren: het glucosemetabolisme en het functioneren van de grotere bloedvaten. In de Maastricht Studie kon Geijselaars gegevens verzamelen bij 2531 personen, waaronder 666 deelnemers die ook leden aan type-2-diabetes. Hyperglykemie en insulineresistentie hebben een wisselwerking met de eiwitten tau en amyloid-β, zo belangrijk bij de alzheimerdementie. Hyperglykemie bleek 50 tot 80% van de variatie in snelheid van informatieverwerking en het executieve functioneren te kunnen verklaren. Insulineresistentie bleek voor het cognitieve functioneren niet zo'n rol te spelen. In hoofdstuk 5 wordt een literatuuroverzicht gepresenteerd, op dezelfde vraag gericht, maar dan toegespitst op de diabetespopulatie. Hoewel er wel een relatie werd gevonden was deze zwak en nu kon hyperglykemie niet meer dan 10% van de variatie in cognitief functioneren verklaren. Een aanvullend onderzoek met een uitgebreide cognitieve testbatterij bij 806 mensen met type-2-diabetes naar de rol van insulineresistentie wees opniew uit dat deze factor niet relevant is voor het cognitieve functioneren. Deze factor kan echter nog niet worden 'afgeschreven' omdat we insulineresistentie momenteel slechts indirect kunnen meten. Gegevens uit het Parelsnoerproject, beschreven in hoofdstuk 7, wijzen in de richting dat insulineresistentie toch relevant kan zijn.
Cognitive dysfunction: At the crossroads of glucose metabolism and vascular function
Stefan Geijselaers, proefschrift Universiteit Maastricht, oktober 2016, 293 pp.
Vasculaire risicofactoren zoals hypertensie en te hoog cholesterol vormen een andere categorie van factoren die de cognitieve problemen bij type-2-diabetes kunnen verklaren. In hoofdstuk 2 worden opnieuw de gegevens van de Maastricht Studie gebruikt. Bloeddruk bleek 20% van de verschillen tussen diabetespatiënten en mensen met een normaal glucosemetabolisme in informatieverwerking en uitvoerend vermogen te kunnen verklaren. Met behulp van de gegevens uit de Maastricht Studie, beschreven in hoofdstuk 3, kon ook onderzoek gedaan worden naar vaatstijfheid als risicofactor. Lokale stijfheid van de halsslagader hing wel samen met het cognitieve functioneren, maar deze variabele kon verschillen tussen mensen met en zonder diabetes niet verklaren. Eenzelfde onderzoek, maar dan gericht op de mate van stress op de wand van de halsslagader, gaf een gelijksoortig beeld; ook deze factor leek niet relevant voor de diabetesgerelateerde cognitieve problemen. Met andere woorden, vasculaire factoren blijken in deze studie maar van zeer beperkt belang.