Om artikelen te kunnen downloaden heb je een account en abonnement nodig.
Om artikelen op te slaan heb je een account en abonnement nodig
Om artikelen op te slaan heb je een account en abonnement nodig
Samenvatting
Door de eeuwen heen zijn er tal van theorieën ontwikkeld over wat precies psychopathie is en hoe zij zich verhoudt tot het hebben van een 'gewone' antisociale persoonlijkheid. Tegenwoordig wordt psychopathie beschouwd als een ernstige persoonlijkheidsstoornis die gekenmerkt wordt door onder andere gebrek aan empathie, moeite met het aangaan van diepgaande relaties, veelzijdige criminaliteit en agressie. Deze omschrijving lijkt misschien eenduidig, maar er bestaat nog steeds veel onenigheid wat de juiste definitie van psychopathie zou moeten zijn. Dit vormt een groot probleem, omdat een effectieve behandeling van psychopathie vraagt om een goede omschrijving van wat het construct inhoudt.
Neuro-developmental pathways to immoral and antisocial behavior
Baris O. Yildirim (2016), Istanbul: Belge Yayínlarí, 481 pp.
In What makes a psychopath? Neuro-developmental pathways to immoral and antisocial behavior probeert Yildirim een oplossing te vinden door psychopathie vanuit een historisch perspectief te bekijken en te herdefiniëren in het kader van hedendaagse neurowetenschappelijke kennis. In het eerste deel wordt er een mooi overzicht gegeven van de historische ontwikkelingen. Zo beschrijft hij dat de term psychopathie vroeger gebruikt werd om allerlei persoonlijkheidsstoornissen aan te geven. Het is pas sinds de afgelopen eeuw dat de term sterk verbonden is geraakt met criminaliteit.
Daarnaast geeft hij aan dat er verschillende subtypes bestaan die erg kunnen verschillen in persoonlijkheidsstructuur, cognitieve en biologische kenmerken, en ontwikkelingspaden. Door deze verschillen zou er een onderscheid bestaan tussen primaire en secundaire psychopathie. Primaire psychopathie kenmerkt zich door genetisch bepaalde afwijkingen in breinnetwerken die betrokken zijn bij het verwerken van aversieve informatie (bijvoorbeeld negatieve emoties van anderen). Bij de ontwikkeling van secundaire psychopathie spelen genen een minder prominente rol en ligt de nadruk op omgevingsfactoren die een slechte invloed hebben op de ontwikkeling. Ondanks deze tweedeling bestaat er nog steeds erg veel diversiteit in subtypes psychopathie. Yildirim suggereert dat de subtypes binnen primaire en secundaire psychopathie beter te omschrijven zijn als ook rekening gehouden wordt met de mate van zelfcontrole en afwijkingen in emotieverwerking.
Vervolgens wordt de aandacht verlegd naar de rol van biologie in de ontwikkeling van psychopathie, waarbij het onderscheid tussen primaire en secundaire psychopathie centraal blijft. Een van de hypotheses die ontwikkeld wordt, is dat een disbalans in het serotonerge systeem zou kunnen leiden tot emotionele dysregulatie. Bij primaire psychopathie zou er misschien sprake zijn van overregulatie, waardoor stressreacties te snel uitdoven en niet tot volwaardige emotionele belevingen leiden. Bij secundaire psychopathie zou er misschien juist sprake kunnen zijn van het omgekeerde. Daarnaast zou primaire psychopathie zich kenmerken door verhoogde activiteit in het dopaminesysteem, wat tot een overgevoeligheid voor beloning zou moeten leiden. Als laatste wordt de rol van het hormoon testosteron in het tot stand komen van antisociaal gedrag besproken. Een van de conclusies is dat testosteron op zich niet tot antisociaal gedrag leidt, maar dat de interactie tussen omgeving en testosteron wellicht een belangrijke rol speelt.
Yildirim genereert een groot aantal hypotheses in zijn boek. De uitdaging zal liggen in het vertalen van deze vooronderstellingen naar de praktijk. Dit heeft niet alleen te maken met de hoge moeilijkheidsgraad van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek in populaties gekenmerkt door psychopathie, maar ook door de haalbaarheid van een aantal van de gemaakte voorstellen. Bijvoorbeeld, nadat er met veel moeite vijftig geschikte kandidaten met psychopathie zijn gevonden voor deelname aan onderzoek, moet er een onderverdeling komen in primair en secundair en ook nog eens een splitsing afhankelijk van de mate van zelfcontrole en emotieverwerkingsproblemen. Per saldo blijven er weinig kandidaten over per subgroep in dit voorbeeld, wat het doen van onderzoek over de validiteit van het voorgestelde theoretische kader aanzienlijk bemoeilijkt. Ondanks deze praktische uitdagingen geven de nieuwe theoretische inzichten die Yildirim heeft ontwikkeld een nieuwe impuls aan het denken over de definitie van psychopathie.